Franchisejuridisch

Mr J.M. Smits-de Rave - Franchise advocaat

Het komt nog al eens voor dat een franchisegever zorg draagt voor het vinden van een geschikte huurlocatie voor franchisenemer om zijn bedrijf in te exploiteren, alvorens partijen een franchiseovereenkomst aangaan. Franchisegever zal bij de huurovereenkomst met de verhuurder graag willen gelden als huurder naast de franchisenemer als onderhuurder. Het Burgerlijk Wetboek biedt een huurder namelijk verdergaande bescherming dan een onderhuurder.

Franchise advocaat

In de dagelijkse praktijk vormen betalingsachterstanden vaak de aanleiding voor juridische geschillen. De financiële schade die ontstaat door het niet of te laat betalen is groot, en de overheid heeft dit enkele jaren terug onderkend met nieuwe wetgeving. Tot december 2002 kende de wet namelijk maar één wettelijke rente: die uit artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW). Deze regeling is uitgebreid en sinds december maakt de wet een onderscheid tussen de ‘gewone’ wettelijke rente en de nieuwe wettelijke ‘handelsrente’, die is opgenomen in artikel 6:119a BW.

Mr Th.R. Ludwig - Franchise advocaat

Zoals in de franchisepraktijk genoegzaam bekend is verticale prijsbinding uit den boze. De franchisegever die een frachisenemer dwingend een verkoopprijs voorschrijft gaat dus over de schreef. Hoe zit dat nu met indirecte prijsbinding, waarbij door indirecte maatregelen en/of sancties prijsbinding eveneens kan ontstaan?

Mr Th.R. Ludwig - Franchise advocaat

Zoals bekend is het huurrecht voor een groot deel onderworpen aan (semi) dwingend recht. Dit betekent dat verhuurder en (onder)huurder gebonden zijn aan het stelsel van de wet waar het betreft tal van rechten en verplichtingen over en weer. Betekent dit echter ook dat er pas een huurovereenkomst tot stand is gekomen wanneer er sprake is van een getekende huurovereenkomst?

Mr Th.R. Ludwig

Artikel van Mr Th.R. Ludwig,
gepubliceerd in De Nationale Franchisegids, eerste editie, eerste druk, 2002

Inleiding

Mr Th.R. Ludwig

Naar aanleiding van de serie’ kernverplichtingen in de franchiserelatie’ is een aantal vragen gerezen. Is er met betrekking tot ondeugdelijke informatieverstrekking in de pré-contractuele fase door de franchisegever aan de franchisenemer sprake van risico-aansprakelijkheid? Winnen franchisegevers eigenlijk wel eens een zaak waarin dit onderwerp speelt? Heeft het voor de franchisegever zin geen prognoses meer te verstrekken? Deze en andere vragen worden in dit artikel behandeld.

CRITERIA

Mr J. van Koetsveld - Franchise advocaat

Met enige regelmaat is binnen franchiserelaties sprake van een agentuurrelatie en bevat de franchiseovereenkomst elementen van een agentuurovereenkomst. Op zich is het geen probleem indien de franchiseovereenkomst in feite een agentuurovereenkomst is. Partijen dienen zich echter wel bewust te zijn van het feit dat het zo is en van de gevolgen daarvan.

Mr. J.H. Kolenbrander - Franchise advocaat

Als het adagium ‘onbekend maakt ongeliefd’ ergens voor geldt, dan is dat voor een onderwerp als het mededingingsrecht en de bepalingen van de Mededingingswet. Door de associatie met het, voor de leek vaak ongrijpbare, Europees recht wordt het mededingingsrecht soms te snel afgedaan als onbelangrijk voor de dagelijks beslommeringen waarmee franchisegevers en –nemers te maken hebben. Het tegendeel is echter waar om redenen die kort zullen worden aangestipt.

Mr J. Sterk - Franchise advocaat

Franchising, zeker hard-franchising, is in toenemende mate een gemengde rechtsverhouding. Er wordt door partijen dan niet alleen een franchiseovereenkomst aangegaan, maar ook een (onder-)huurovereenkomst. Veelal verwijzen beide overeenkomsten dan ook naar elkaar en kunnen deze ook niet goed zonder elkaar bestaan.

 

Inhoud syndiceren